Voetbal draait niet alleen om voetenwerk, maar ook om mondwerk. En nee, dan bedoel ik geen grote-mondwerk. Spelers communiceren met iedereen: de coach, teamgenoten, tegenstanders, de scheidsrechter en zelfs dat ene fanatieke familielid langs de lijn dat denkt dat hij de VAR is.
Maar hoe ga je om met al die mensen – vooral als iemand je bloed onder je nagels vandaan haalt?
Er komt nogal wat bij kijken:
Respectvol blijven, ook als de scheids de regels lijkt te hebben geleerd via een YouTube-samenvatting.
Naar de coach luisteren, zonder dat hij hoeft te schreeuwen als een marktkramer met uitverkoop.
Leren omgaan met slechte beslissingen – van jezelf én van anderen (ja, ook die van de grensrechter met zonnebril).
Effectief communiceren met de coach (tip: “wissel hem!” telt niet als constructieve feedback).
Elkaar coachen op het veld, het liefst hoorbaar en zonder passief agressieve zucht.
Feedback geven én ontvangen, zonder huilbuien of dramatische zwanenduiken.
Omgaan met emoties – ook als je net de bal van de lijn haalde… van de verkeerde lijn.
Emoties tonen, maar niet op een manier waardoor je je de volgende training ziekmeldt van schaamte.
Knelpunten bespreekbaar maken, maar niet op een toonhoogte die alleen honden kunnen horen.
Conflicten uitpraten, zonder dat het eindigt in een voetbalversie van Game of Thrones.
Inzicht in het spel verwoorden, zodat je team snapt wat je bedoelt (en niet denkt dat je een nieuwe tactiek in Klingon uitlegt).
Omgaan met vervelende tegenstanders of publiek, zonder terug te katten of te gaan mopperen als een boze opa.
Elke situatie op het veld is eigenlijk een mini-communicatietest. En de manier waarop spelers elkaar coachen is een perfecte kans om te leren hoe je iemand aanspreekt op gedrag – en hoe je zelf reageert als je wordt aangesproken.
Daarom is open, eerlijke communicatie zó belangrijk. Ja, voetbal is emotie. Maar het is ook een teamsport. En in een goed team blijft niemand zitten met opgekropte frustratie. Je hoeft niet altijd blij te zijn, maar je moet wel kunnen zeggen wat je voelt.
Daarom heb ik iets bedacht: de eerste derde helft – ofwel de 1e 3e ½. Een moment ná de wedstrijd, vóór de bitterballen, waarin we alles bespreken wat gezegd moet worden. Geen gezeur, geen gezucht, gewoon open praten. Later deel ik daar praktijkvoorbeelden van – met echte spelers, echte emoties en echte groei.